Niveau B1 - Lezen - Tekst 3

Lees eerst de tekst.
Zoek woorden die je niet kent op in de woordenlijst rechts.
Maak dan de oefeningen.

Vakantie vroeger en nu

Kamperen, een huisje huren, een hotel of met het vliegtuig naar de zon: tegenwoordig gaat bijna iedereen op vakantie. Maar dat is niet altijd zo geweest. Vroeger hadden mensen helemaal geen vakantie.

Rijk
Vroeger hadden de meeste arbeiders geen vrije tijd. Dat was iets voor rijke mensen. Die gingen  bijvoorbeeld naar het strand in Scheveningen, of ze maakten uitstapjes naar Rome en Parijs. Ook kamperen was iets voor rijke mensen.
Arbeiders hadden geen geld om op vakantie te gaan, en ze hadden ook geen tijd. Arbeiders werkten vroeger 7 dagen per week. Werkweken van 60 uur waren heel gewoon. Bijna niemand die werkte had recht op vrije dagen.

Nieuwe wet
Maar in 1919 kreeg iedereen recht op vrije tijd. In dat jaar werd er een nieuwe wet aangenomen door het parlement. In die wet stond dat arbeiders niet meer dan 8 uur per dag mochten werken. Er stond ook in dat ze op zaterdagmiddag en op zondag vrij hadden.

Zondag
Voor veel mensen was het belangrijk dat op zondag niet gewerkt hoefde te worden. Veel mensen waren namelijk christen. En op een vrije zondag kon iedereen gemakkelijk naar de kerk.

Staken
Iedereen had na 1919 recht op een vrij weekend. Arbeiders konden nu ook een dagje uit, bijvoorbeeld naar het strand.
Maar arbeiders hadden nog geen recht op vakantiedagen. Dat duurde nog vele jaren. In 1928 staakten de loodgieters 19 weken. Het resultaat van die staking was dat zij 4 vakantiedagen per jaar kregen. Daarna kregen de bouwvakkers recht op 3 vakantiedagen.

Populair
Later kregen steeds meer mensen vakantiedagen. Veel mensen gingen in hun vrije tijd wandelen in een park in de stad, of ze gingen naar de dierentuin.
In de jaren ’50 werd kamperen in Nederland erg populair. Vakantie was niet meer alleen voor de rijken, het was nu iets voor iedereen, ook voor werknemers.
In 1966 kwam in de wet te staan dat iedereen recht heeft op vakantie.

WoordBetekenis
1   kamperen

in een tent slapen

2  tegenwoordignu, in deze tijd
3  de arbeiderde werknemer, iemand die werkt voor een bedrijf
4  het strand

5  Scheveningeneen stad bij het strand (vlakbij Den Haag)
6  het uitstapje een korte vakantie / even weggaan op een vrije dag
7  het recht
iets wat je volgens de wet moet krijgen, of wat mensen je moeten geven: niemand mag zeggen dat je dat niet kunt krijgen
8. de wet

de officiële regels / afspraken van een land

9  het parlement de Tweede Kamer
10 namelijk‘namelijk’ betekent hetzelfde als ‘want’ (maar let op de grammatica: met ‘namelijk’ maak je 2 aparte zinnen, met ‘want’ maak je 1 zin: een hoofd- en een bijzin samen)
11 de christen

iemand die gelooft in de God van de bijbel en in Jezus.

12 de kerk
13 staken

stoppen met werken om te protesteren

14 bouwvakkers


mensen die huizen maken

15 de loodgieter

16 wandelen

lekker rustig lopen

.

Oefening 2

Oefening 3

Oefening 4

Oefening 5: Verwijswoorden

Sluit Menu